Aanvullende Verklaring 25 juni 2015

Aanvullende verklaring over Mettavihari in 1981-1983 en mijn eigen rol

De eerdere verklaring over mijn rol in verband met het seksuele wangedrag van Mettavihari is opgesteld tijdens een lange periode van reizen (22 mei tot 28 juni). Daardoor zijn er fouten geslopen t.a.v. de jaartallen. Ook is niet alles naar buiten gebracht omdat ik me een cruciaal detail niet herinnerde. Dat moet zeer pijnlijk zijn geweest voor met name Patrick Franssen en andere slachtoffers. Ik bied hen daarvoor mijn diepe excuses aan. Deze aanvullende verklaring is tot stand gekomen na reconstructie aan de hand van documenten die mij deels door derden ter beschikking zijn gesteld.

In juni 1981 is Mettavihari bewogen af te treden als voorzitter en als bestuurslid van de Boeddharama Tempel, in verband met zijn seksueel wangedrag naar Patrick Franssen toe. Het afzetten gebeurde door het bestuur van de Stichting Boeddharama Tempel, waarin Patrick Franssen als secretaris, ik als gewoon lid en Mettavihari als voorzitter deelnamen. Na het aftreden van Mettavihari werd ik gekozen tot voorzitter. Een half jaar later, december 1981, werd met steun van de SJBN (Stichting Jonge Boeddhisten Nederland), Mettavihari weer benoemd als bestuurslid van de Stichting Boeddharama Tempel. De SJBN wees op de kwaliteiten van Mettavihari als meditatie leraar; hiermee werd hem—onder mijn verantwoordelijkheid—een tweede kans gegeven. Patrick Franssen was tegen en trad toen af als lid van het bestuur van de Stichting Boeddharama Tempel. Wat in mijn geheugen onderdrukt werd zijn de later gereconstrueerde feiten dat Mettavihari in juni 1981 ook was afgezet als bestuurslid en op 19 december 1981 weer werd opgenomen in het bestuur. In de indrukwekkende bijdrage van Frits Koster, zelf slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag door Mettavihari, wordt beschreven hoe wij door diens charisma de dingen niet scherp zagen. Inderdaad, ook ik was verblind. Dat dit laatste gebeurde tijdens het terminale ziektebed van mijn vader (overleden 2 januari 1982) kan meegespeeld hebben, maar is geen excuus.

Ongeveer een jaar later, voorjaar 1983, bleek dat de tweede kans voor Mettavihari om goed gedrag te tonen niet werd waar gemaakt. Zijn handelswijze is toen voor mij de aanleiding geweest om hem definitief uit het bestuur van de Stichting te zetten en hem de toegang tot de tempel te ontzeggen. Nu was Mettavihari niet iemand die zich gemakkelijk de les liet lezen. Om te bewerkstelligen dat hij niet meer op de tempel zou komen heb ik, op suggestie van een andere monnik in de Boeddharama tempel, de leraar van Mettavihari gebeld om te zeggen dat deze daar niet meer welkom was. Mettavihari verbleef toen bij die leraar. Het een en ander leidde ertoe dat Mettavihari in juni 1983 definitief aftrad als bestuurslid van de Boeddharama tempel en dat hij de tempel verliet zonder daar—naar mijn weten—ooit terug te keren. Toen was ook de samenwerking tussen Mettavihari en mijzelf verbroken.

Bij de hoge Thaise Boeddhistische autoriteiten (Chao Khun Bromagunnaborn, Wat Saket) heb ik nog geprobeerd een andere monnik te vinden, die zowel goed was in het meditatie onderricht, als ook de Engelse taal voldoende beheerste voor de benodigde communicatie. Zo’n monnik is moeilijk te vinden en bleek op dat moment niet voorhanden.

Wat ik na juni 1983 verzuimd heb te doen, was het meer bekendheid geven aan het wangedrag van Mettavihari, bijvoorbeeld binnen de vipassana-beweging of misschien wel ruimer, te zeer opgelucht was ik dat de kous af was. Als ik dat wel had gedaan, dan zou er mogelijk veel leed bespaard zijn gebleven. Ik trek me dat zeer aan.

Henk Barendregt